België – Nederland

Paul Wouters*

Een tijdje terug sloegen vier organisaties uit Nederlands West-Brabant en vier organisaties uit Vlaanderen de handen in elkaar om grensoverschrijdend ondernemerschap te bevorderen. Men werd het er snel over eens dat er een brochure zou komen, om zich gezamenlijk te presenteren en aandacht te trekken bij belanghebbenden. Iedereen zou daar ideeën en concepten voor aanleveren. En toen kwam er zand in de machine. Nederlandse en Belgische deelnemers aan het overleg stonden niet meer mét maar tegenóver elkaar, onvrede over elkaars prestaties nam toe, irritatie ging de boventoon voeren…

Gelukkig bleven partijen met elkaar in gesprek. Zo kon de kern van het probleem boven tafel komen. Men had het met elkaar meermaals gehad over de ‘brochure’, maar uiteindelijk bleek die vlag voor Belgen en Nederlanders een heel andere lading te dekken. Wat de Nederlanders bij het woord voor ogen stond, was een flitsend pr-instrument, dat aandacht zou trekken door vormgeving en alleen op hoofdlijnen inhoud zou bevatten. De Belgen daarentegen hadden zich bij een ‘brochure’ altijd een inhoudelijk degelijk uitgewerkt document voorgesteld, dat de lezer precies zou informeren over doelstellingen, achtergronden en aanpak. Toen men zich de verwarring over en weer realiseerde, was de kou uit de lucht. Men kon er ook wel om lachen.

Het is een ‘klein’ verhaal, verteld door een van de direct betrokkenen op de conferentie over samenwerken tussen Belgen en Nederlanders, getiteld ‘Van hoofdpijn naar meerwaarde’, die op 27 september vorig jaar in Rilland gehouden werd. Het lijkt te klein om interessant te kunnen zijn – een onschuldig misverstand over een woord komt toch in de beste families voor? Maar bij nader inzien schuilt er een wereld van cultuurverschil achter. Reeds in het klassieke onderzoek van Geert Hofstede naar landenculturen over de hele wereld bleek er een groot verschil te bestaan tussen België en Nederland wat betreft het niveau van onzekerheidsvermijding, gedefinieerd als ‘de mate waarin de leden van een cultuur zich bedreigd voelen door onzekere of onbekende situaties’. Men zou het dus ook een maat voor ‘basic trust’ kunnen noemen, een gegeven dat onder vragen ligt als: hoeveel zorgen maakt men zich om de (altijd onzekere) toekomst? – Hoeveel behoefte voelt men om zich tegen eventuele risico’s in te dekken? – Hoe gerust is men op een positieve ontwikkeling van welzijn en welvaart van zichzelf, van naasten, van de samenleving? – Is men geneigd de (onbekende) medemens met vertrouwen tegemoet te treden of juist te wantrouwen?

De verschillen zijn aanzienlijk. Men vroeg aan een representatief staal van Belgen en Nederlanders welke van de volgende twee uitspraken men onderschrijft:
• Over het algemeen zijn mensen te vertrouwen.
• Je kunt met mensen niet voorzichtig genoeg zijn.
Twee derde van de Nederlanders opteert voor de eerste uitspraak; tweederde van de Belgen opteert voor de tweede. De gemiddelde Nederlander handelt vanuit vertrouwen; de gemiddelde Belg handelt vanuit wantrouwen. In België wordt per inwoner ruim 20% meer premie betaald voor levensverzekeringen dan in Nederland. Wanneer verplichte verzekeringen buiten beschouwing worden gelaten, dan scoren overige verzekeringsproducten in België eveneens hoger dan in Nederland. Daar staat tegenover dat de Nederlandse burger veel meer dan de Belgische geneigd is om risicodragend te beleggen. Contracten moeten voor de Belg meer gedetailleerd uitgewerkt zijn dan voor de Nederlander. Voor de Belg geldt stemplicht tegenover het stemrecht van de Nederlander. Het medicijngebruik ligt in België flink hoger dan in Nederland, vooral in de categorie ‘baat het niet, schaadt het niet’ zoals antibiotica. Als de Belgische werknemer wegens ziekte verzuimt, dan moet hij een attest van de dokter kunnen overleggen. (In België geldt ziekteverzuim derhalve niet als een door de manager te beïnvloeden variabele; hij kan er niet, zoals veel van zijn Nederlandse collega’s, op beoordeeld worden.) Zo kunnen we een hele tijd doorgaan. De conclusie die zich onvermijdelijk opdringt, is dat in de Nederlandse samenleving aanzienlijk meer ‘basic trust’ aanwezig is dan in de Belgische.

Een verklaring voor het fenomeen ligt voor de hand. De cultuur van een volk is het resultaat van ervaringen die van generatie op generatie worden doorgegeven. Welnu, in het collectieve geheugen van de Belg is een geschiedenis van vreemde overheersing en onderdrukking neergeslagen, terwijl de Nederlandse natie vanaf eind 16de eeuw een nauwelijks onderbroken tijd van autonome ontwikkeling heeft gekend. Tel daarbij op dat de Belgische natie, voor zover al zelfstandig, veel meer interne conflictstof heeft gehad dan de Nederlandse. Dan is duidelijk dat hier heel andere historische leerprocessen plaatsvonden. De Nederlander leerde dat het loont om zich te manifesteren en te investeren in samenwerking. Zo heeft dit land zichzelf ‘gemaakt’ – vrij letterlijk trouwens ook: opgespoten boven de waterspiegel, de voeten droog en de grond vruchtbaar gehouden. De Belg is erin getraind om in vrij machteloze omstandigheden toch nog een menswaardig bestaan op te bouwen voor zichzelf en de eigen intieme kring. Kort gezegd: de Nederlander leerde plannen te maken, de Belg heeft geleerd om zijn plan te trékken. Beide talenten zijn waardevol en waar ze elkaar kunnen aanvullen en inspireren, ontstaat meerwaarde. Helaas, vaak strandt beoogde samenwerking op onbegrip en in het slechtste geval zelfs op wantrouwen.

Het is interessant om ten slotte nog eens te kijken naar een complex begrip als ‘risk management’. Bij de wortel daarvan bevindt zich het vermogen om risico’s waar te nemen. Op grond van wat we weten over cultuurverschillen, mag men aannemen dat de Belg zich eerder en meer bewust zal zijn van mogelijke calamiteiten. Hij zal er minder dan de Nederlander op vertrouwen dat ‘de overheid’ een plan heeft om gebeurlijke rampen het hoofd te bieden en te bezweren. Bovendien, voorzover er plannen bestaan, zal de Belg er allerminst vanuit gaan dat die in de praktijk, wanneer het er echt om gaat, zullen wérken. Zijn ongerustheid zal er dus niet vanzelf toe leiden dat alsnog rampenscenario’s en noodplannen ontwikkeld en ‘ingetraind’ worden. Wat bij de Nederlandse evenknie de indruk kan wekken dat de Belg het gevaar niet onderkent of er nogal onverschillig mee omgaat. Maar dat is juíst niet het geval. Besef dat de Belg van zijn kant terecht vraagtekens stelt bij het optimisme waarmee de Nederlandse bestuurder geneigd is om te denken dat planning vanzelf tot controle leidt.

Zij hebben elkaar het nodige te vertellen, van weerszijden van de grens. Precies omdat risk management een complexe, urgente en grensoverschrijdende aangelegenheid is, moeten verschillende gezichtspunten en kritische vraagstellingen elkaar in die discipline ontmoeten. Op korte termijn.

* Paul Wouters is schrijver van het boek “België – Nederland: verschil moet er zijn.” Paul adviseert diverse organisaties over grensoverschrijdende samenwerking.