Bestrijding van milieu- en gezondheidseffecten bij incidenten

Lessen uit de chemische brand ATF Drachten, de vuurwerkramp en de Bonte Wever-brand

Auteur: drs. R.J. van den Brand

Conclusies
De bestrijding van de milieu- en gezondheidseffecten bij de onderzochte incidenten kan getypeerd worden als improvisatie.

Dit geldt zowel voor het lokale/regionale niveau als voor het landelijke niveau. Op lokaal niveau wordt niet gewerkt met een heldere crisisorganisatie geënt op de structuur die geldt voor de rampenbestrijding. Op landelijk niveau wordt op ad hoc basis samengewerkt tussen betrokken ministeries (zoals het ministerie van LNV en het ministerie van VROM bij het ATF-incident). Tegelijkertijd zijn decentrale overheden en gedeconcentreerde rijksdiensten actief, alsmede landelijke expertiseinstituten, die alle autonoom optreden. De provincie blijft steeds op de achtergrond.

Geconcludeerd kan worden dat van een gecoördineerd overheidsoptreden bij milieuincidenten geen sprake is. Met name de bundeling van expertise en een geïntegreerde advisering aan het lokale gezag en aan de bevolking vinden niet plaats. De incidenten laten zien dat de betrokken overheidsorganisaties te maken krijgen met een aantal dilemma’s:

1. Voor de schatting van het gevaar in de acute fase en de effecten op de lange termijn zijn verschillende tactieken vereist. De brandweer kan eenvoudige metingen verrichten en snel de bevolking waarschuwen. De (rijks)expertiseinstituten kunnen meer complexe metingen verrichten en eventuele (lange termijn) ‘keteneffecten’ identificeren. Wanneer de keteneffecten niet duidelijk zijn in de acute fase ontstaat een keuzeprobleem: uit voorzorg mogelijk onnodige maatregelen nemen en eventuele onrust accepteren dan wel afwachten en mogelijk te laat maatregelen treffen.

2. De ‘kolom’ van het gemeentelijk apparaat en de operationele diensten opereert autonoom onder het gezag van de burgemeester aan de bestrijding van het incident. De landelijke expertise-instituten (MOD, RIKILT) en de gedeconcentreerde rijksonderdelen (LNV, KvW, IMH) opereren onder diverse functionele overheidsorganisaties (ministers). Wanneer de effecten van het incident de beleidsvelden van meerdere overheidsorganisaties betreffen ontstaat een sturingsdilemma: welk gezag is bepalend? Dit is wettelijk niet eenduidig geregeld. Een consequentie hiervan is, dat de overheidsorganisaties met elkaar ‘in de slag’ gaan om de bestuurlijke verantwoordelijkheid en deze aan zich trekken of juist afwijzen