De Human Resource Aspecten van de Coronacrisis

Harrie Scholtens

Harrie Scholtens* | een persoonlijke opinie

De schaduwen van de Coronacrisis werpen zich langzaam vooruit. Met de afnemende besmettings-, slachtoffer- en ziekenhuiscijfers krijgen andere doelstellingen dan het acuut moeten stoppen van de pandemie meer en meer aandacht. Meer en meer zal ook worden teruggekeken op wat er is gebeurd. Onderdeel daarvan is de maatschappij brede waardering voor de medewerkers in de zogenaamde vitale beroepen. Ze zijn met applaus sessies en her en der met potten en pannen geroffel door velen bedankt. En niet te vergeten de woorden van dank vanuit de vertegenwoordigers van de overheid van hoog tot laag. Het werk wat deze medewerkers hebben verzet is bewonderenswaardig te noemen en hen bedanken is dan ook volledig op zijn plaats.

De discussie die oplaait is echter ook die van de feitelijke beloning van deze medewerkers. Een beloning in salaris en mogelijk andere (secundaire) arbeidsvoorwaarden. Deze speelde al en was een reactie op de bezuinigingen die achter ons lagen, waarvan altijd werd gezegd: eerst het zuur, dan het zoet. Het is dan ook niet moeilijk te voorspellen dat na het luwen van de Corona storm deze discussie in volle hevigheid verder zal woeden. In de eerste plaats hebben we het hier over de medewerkers in de zorg, maar ook de medewerkers in het onderwijsveld en naar mijn mening ook over de politie/toezichthouders en buitendienstmedewerkers bij de gemeenten. En ongetwijfeld is deze opsomming nog niet compleet.

Daar doemen echter ook de nodige (financiële) risico’s op voor overheden, zorgverzekeraar en andere instanties, nu de tekenen erop wijzen dat de economie een recessie ingaat. Een recessie die door sommige economen als kortdurend wordt gezien en door anderen als een recessie die enige tijd aan kan houden. De vraag is dan ook of er ruimte is voor een arbeidsrechtelijke beloning van deze groepen medewerkers die aan het Coronafront hebben gestreden. Komt het er niet van dan zal schamper terug worden gekomen op al het applaus en potten en pannen geroffel en de dankwoorden van de overheidsfunctionarissen. Kunnen wij dit risico met de nodige veerkracht tackelen?

Dit alles brengt mij tot de vraag hoe wij in het verleden met deze medewerkers in HR opzicht zijn omgegaan. In mijn functie als gemeentesecretaris en eindverantwoordelijk voor het functioneren van de gemeentelijke organisatie heb ik vanzelfsprekend veel van doen gehad met organisatiewijzigingen, fusie van gemeentelijke organisaties en de daarbij op te stellen functieboeken, functiewaardering systemen en onderhoud daarvan. En vanzelfsprekend vele discussies gevoerd over het meer naar buiten gericht werken en luisteren naar de burger. In dat kader heb ik de medewerkers buitendienst en baliemedewerkers vaak aangeduid als “onze frontsoldaten”. Zij wisten en weten bij uitstek wat er op straat leefde en wat de verwachtingen waren ten opzichte van de gemeentelijke overheid. Het naar boven in de organisatie geleiden van hun indrukken was altijd een opgave op zich. Het viel niet altijd mee om dit op het niveau van de beslissingsbevoegden te krijgen.

Het zal door degenen die hier ook in thuis zijn bekend voorkomen dat veel van dit soort functies lager worden gewaardeerd dan die van bijvoorbeeld beleidsmedewerkers en tussen- en hoger management. Met al wat nu gebeurt vraag ik mij heden ten dage af of de waardering van werkzaamheden niet door een andere bril moeten worden bekeken. Binnen functiewaardering systemen is het gevraagde opleidingsniveau medebepalend voor de inschaling van de medewerkers. De “frontsoldaten” vielen en vallen vaak in een lager opleidingsniveau en dientengevolge in een lagere beloningscategorie. Dat was in het verleden en met een meer top-down gerichte aansturing heelwel verklaarbaar. Maar we hebben steeds meer gevraagd van deze medewerkers in hun contacten met de burgers en steeds meer een beroep gedaan op hun zelfsturend vermogen. Zonder alle hardwerkende beleidsmedewerkers tekort te doen, maar wordt het geen tijd om dit aspect meer te waarderen in de functiewaarderingssystemen en dus uiteindelijk een structurele geldelijke beloning?

In de steunprogramma’s voor bedrijven zien we dat er aandacht is de vorm van voorwaarden om de bonuscultuur, in ieder geval voor de overeengekomen steunperiode, in te dammen. Maar waar is de aandacht voor onze “frontsoldaten”?

Gelukkig hebben we in onze organisaties, over het algemeen althans, meer “Indians” dan “Chiefs”. Het geeft evenwel ook aan dat door “de massa” een verhoging van de beloning een groot effect heeft op het financieel draagvlak van die organisaties. Er zal een beroep moeten worden gedaan op de financiële input van de Nederlandse burger, via zorgpremies en/of belastingen. Is deze evenwel bereid om het applaus en geroffel op potten en pannen om te zetten in klinkende munt? Ik waag het te betwijfelen. Daarbij komt dat juist veel van dit soort functies (met name buitendiensten en zorginstellingen) zijn geprivatiseerd en onder het regime van de marktwerking moeten functioneren.

Een uitdaging voor degenen die het HR beleid binnen de diverse organisaties vorm moeten geven. Daarin zal het Management een leidende rol moeten gaan vervullen en laten zien dat de “Corona-boodschap” is overgekomen. Het vereist nog meer als voor de Corona-crisis een goed georganiseerde interne organisatie discussie waar de risico’s liggen en hoe hier mee kan worden omgegaan. Het hier behandelde aspect zal namelijk niet het enige risico zijn die overheden, instanties en bedrijven lopen na de opstart van de maatschappelijke ontwikkelingen.

 Want één ding mag duidelijk zijn: Er komt een moment dat de medewerkers die ons met al hun inzet door deze crisis hebben gesleept, hier iets voor terug willen zien, anders dan met een applaus of geroffel op pannen en potten.

De kans is evenwel levensgroot dat dit zal blijven bij het zoveel mogelijk voorkomen van een achteruitgang in plaats van een verbetering.  

* Public Governance Expert bij PRIMO Europe. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.