Energietransitie: De noodzaak van bestuurlijke aandacht voor omgang met onzekerheid.

 Prof. Dr. Bastiaan Zoeteman [1]

De PRIMO/UDITE-denktank ‘From Global to Local’ [2] te Den Haag op 20 april 2018 – in samenwerking met BNG Bank – is erop gericht de inventiviteit te verbeteren van lokale gemeenschappen in het omgaan met op hogere schaalniveaus spelende onzekerheden met veel impact. Daartoe worden uitkomsten van relevante onderzoeken verbonden met het risicomanagement rond de uitdagingen die deze onzekerheden oproepen voor het regionale en lokale bestuur.

Dergelijke onzekerheden worden niet alleen door rampen en crises opgeroepen maar ook door al dan niet terechte verwachtingen over het handelen van de overheden bij dergelijke situaties en over het te verwachten verloop van gebeurtenissen in de toekomst.

Door het zichtbaar maken van zulke onzekerheden in combinatie met een thema, in dit geval het thema van de energietransitie ter voorkoming van verdergaande klimaatverandering, wordt het mogelijk om gerichte handelingsperspectieven te ontwerpen die uitvoerbaar zijn en het vertrouwen in de overheid ondersteunen.

1. De nationale context
Met het nieuwe regeerakkoord van 2017 en wat al snel daarop volgde, zijn er in Nederland rondom de energie transitie nieuwe verhoudingen. Eén daarvan is dat de minister van Economische Zaken ook de trekker van de Klimaat portefeuille is geworden. Het lijkt erop dat daarmee dit ministerie van kleur is verschoten.

In een brief aan de Tweede Kamer van 23 februari 2018 geeft EZK minister Wiebes[3] duidelijk aan hoe hij deze klus wil gaan aanpakken. Hoofddoel is om in 2030 de hoeveelheid broeikasgasemissies van ons land te halveren. En daar is in het regeerakkoord ook meteen bij aangegeven wat er van de vijf belangrijkste sectoren wordt verwacht.

Tabel 1. Emissie reductie opgaven volgens Regeerakkoord 2017. *Incl. effecten circulaire economie; **Incl. restopgave lopende energieakkoord.

Ed Nijpels, de eerdere voorzitter van de Borgingscommissie van het Energieakkoord, is aangewezen als voorzitter van het coördinerende Klimaatberaad. Er komen vijf platforms die de in tabel 1 genoemde sectoren gaan doorlichten en daarbij rekening  houden met de nog verdergaande reducties die in 2050 nodig zijn.

De afspraken op hoofdlijnen moeten al voor de zomer klaar zijn. Volgens de planning volgt de uitwerking tot concrete maatregelen in de tweede helft van 2018. De uitvoering van het Klimaatakkoord start in 2019.

Wat is hierbij de rol van de verschillende overheden? Ook op dit vlak is er een fris initiatief. De overheden hebben namelijk, zo blijkt uit een brief van BZK  minister Ollongren van 14 februari 2018, getekend door in totaal 17 hoogwaardigheidsbekleders, afgesproken nauw te gaan samenwerken op een aantal thema’s.[4] Eén van de thema’s waarover dit InterBestuurlijkProgramma gaat is klimaat. De gemeenten hebben zich verbonden om de klimaatdoelen te helpen realiseren en daarbij ook regionaal samen te werken.

Nu laat tabel 1 zien dat de gemeenten niet altijd degenen zijn die het meeste invloed hebben op de sectoren die er het meeste toe doen: industrie en elektriciteitsopwekking. Toch zal het overheidsprogramma de gemeenten niet ongemoeid laten. De brief van Ollongren zegt hierover onder meer:

“Alle overheden zetten samen de schouders onder het tot stand komen van het klimaatakkoord…. De Omgevingswet biedt ons als overheden de instrumenten om samen tot keuzes te komen en die aanvullend vast te leggen.”

Tegenover al deze vastberadenheid staan echter ook factoren die als onzekerheden en struikelblokken op de ingeslagen weg kunnen voorkomen en waarop de regionale en lokale bestuurders zich maar beter kunnen voorbereiden om hun eigen kiezers niet teleur te stellen. Want zelfs het veel minder ambitieuze Energie akkoord van het vorige kabinet heeft met flink wat teleurstellingen te kampen gehad. Zo staan bijvoorbeeld tegenover het uitbreiden van windenergie op zee zeer schamele resultaten als het gaat om wind op het land.

Wat betreft onzekerheden zullen deze eerst in algemene zin in kaart worden gebracht op basis van het Global Risks Report 2018, waarna naar de meer lokale problemen en onzekerheden zal worden gekeken.

2. Oorzaken van risico’s en onzekerheden

Mondiale risico’s en onzekerheden worden jaarlijks onder meer in kaart gebracht door het World Economic Forum. Het laatste rapport van 17 januari 2018[5] biedt relevante informatie waarvan veelal een alarmerend signaal uitgaat. Bekende risico’s worden groter en nieuwe risico’s, zoals  datafraude, internationaal terrorisme, drugscriminaliteit en het meer nationalistisch optreden van nationale overheden voegen zich in dit spectrum.  De onderwerpen grijpen bovendien steeds meer in elkaar en versterken elkaar. De overheden staan daarmee voor een complexer wordende taak waarbij staten regelmatig maar moeilijk bij machte blijken regulerend op te treden.

Inhoudelijk heeft het Global Risks Report 2018 een stuk of dertig economische, milieu, geopolitieke, sociale en technologische risico’s in beeld gebracht op basis van hun impact en waarschijnlijkheid vanuit mondiaal perspectief (zie Annex 1).

Figuur 1. Risico’s met de grootste gevolgen en waarschijnlijkheid volgens Global Risks 2018 Report (zie ook Annex 2)

In figuur 1 is een uitsnede van de rechterbovenhoek van de belangrijkste figuur uit het Global Risks 2018 Report (Annex 2) weergegeven. Dit toont de risico-onderwerpen die het meest waarschijnlijk zijn en vermoedelijk de grootste gevolgen hebben. Interessant is dat de 9 onderwerpen in deze categorie niet bepaald het nieuws domineren en vooral een milieu karakter hebben.

Als grootste risico (= waarschijnlijkheid x impact) wordt ‘1. Extreem weer’ genoemd, gevolgd door ‘2. Natuurlijke rampen’, ‘3. Falen van klimaatmitigatie en -adaptatie’, ‘4. Cyberaanvallen’, ‘5. Watercrises, ‘6. Grootschalige onvrijwillige migratie’, ‘7. Man-made milieurampen’, 8. Verlies aan biodiversiteit en ecosysteemineenstorting’ en tenslotte ‘9. Interstatelijke conflicten’.

Het is ontnuchterend dat deze doorgaans goed bekende risico’s zo’n dominante positie zijn gaan innemen, waarbij allerlei economische en geopolitieke kwesties op de achtergrond blijven. De vraag doet zich voor of degenen die deze beoordeling op een schaal van 1-5 voor het WEF hebben gemaakt het wel bij het rechte eind hebben. Zonder daar dieper op in te gaan stel ik voor ons niet op deze uitkomst blind te staren. Immers, er kunnen ook rebound effecten optreden via andere risicofactoren die het voorspellen van dit soort zaken lastig maken.

Onder de risicofactoren zijn er enkele die in het bijzonder van invloed kunnen zijn op het verloop van de energie transitie. Zoals in Annex 1 weergegeven, kan hierbij aan de volgende risico’s worden gedacht:

  1. Energieprijs shock: grote wisselingen in energieprijs kunnen de marktomstandigheden voor het introduceren van nieuwe technologieën sterk (nadelig) beïnvloeden en daarom tot terughouding of vertraging bij grote investeringen leiden.
  2. Extreme weersverschijnselen, zoals droogte en overstromingen: nadelige weersverschijnselen kunnen de motivatie om dit in de toekomst te vermijden versterken en daarmee de energietransitie wind in de zeilen geven; maar een omgekeerd effect als er bepaalde gunstige veranderingen optreden kan ook plaatsvinden.
  3. Mislukken van klimaatmitigatie- en adaptatie beleid: het falen bij het wereldwijd doorvoeren van maatregelen voor klimaatmitigatie en -adaptatie zal vooruitstrevende gemeenschappen ontmoedigen en kwetsbare gemeenschappen confronteren met ernstige gevolgen van klimaatverandering; daardoor zal de onderlinge solidariteit worden ondermijnd en een ‘ieder-voor-zich’ mentaliteit kunnen ontstaan waarbij de geloofwaardigheid van de overheid als hoeder van het algemeen belang ernstig aan kracht zal inboeten; als gevolg hiervan kunnen er grote internationale spanningen ontstaan.
  4. Falen van nationale bestuurskracht: ook wanneer het internationale klimaatakkoord, afgesloten in 2015 te Parijs, algehele doorgang vindt, kan Nederland achterblijven met haar prestaties. Nederland moet van ver komen door haar decennialange aardgasverslaving die nu plotseling onder druk van de Groningers moet worden afgebouwd. Het zal veel van de bestuurskracht van de regering vragen om zonder de extra inkomsten van het aardgas middelen te vinden om de energietransitie te versnellen en de achterstand in de energietransitie ten opzichte van omringende landen in te halen. Tijdens het vorige kabinet bleef de uitvoering van het energieakkoord achter bij de afspraken. Als onder de huidige ambitieuze minister van Economische zaken en Klimaat er toch meer woorden dan daden tevoorschijn komen, zal de motivatie om in brede geledingen van de samenleving de schouders onder het karwei te zetten gering kunnen blijken. Dit temeer als zou blijken dat grote bedrijven en gemeenten frauderen en de regering erg moeilijk knopen weet door te hakken.
  5. Falen van bovennationale en mondiale bestuurskracht: wanneer de komende jaren gaat blijken dat het Parijse akkoord door steeds meer landen wordt ontkracht en dat zelfs de EU bijvoorbeeld het verdrag weliswaar onderschrijft maar in de praktijk niet nakomt, door bijvoorbeeld tegenwerking uit Oost-Europese landen, zal het draagvlak in Nederland verdampen. De Nederlandse overheid zal dan moeite krijgen ambitieuze plannen te realiseren en de anti-EU lobby in ons land zal ook op dit punt aan kracht winnen.
  6. Het uitbreken van een conflict met massavernietigingswapens: zo’n conflict zal de bereidheid om veel geld te investeren in de energietransitie ernstig ondermijnen wegens de grotere prioriteit die moet worden gegeven aan acties om het gewelddadige conflict tot een einde te brengen en zich tegen de gevolgen ervan te beschermen.
  7. Het uitbreken van grote sociale onrust: een massale opstand van de bevolking wegens het falend optreden van de regering bij bv terrorisme, cyberaanvallen, agressieve migranten stromen etc., zal, net als bij een kernoorlog, het energietransitie vraagstuk naar de achtergrond dringen; anderzijds kan het leiden tot een versterking van de aandacht voor decentrale energie-opwekkingsmethoden.
  8. Negatieve gevolgen van technische vooruitgang: een concreet voorbeeld dat de energietransitie direct raakt is de mogelijkheid dat grote naties het onderling op een akkoord gooien en klimaatverandering tegengaan door middel van geo-engineering in plaats van door reductie van het gebruik van fossiele brandstoffen; het WEF Global Risk 2018 Report schat de impact en waarschijnlijkheid hiervan lager dan gemiddeld; persoonlijk ben ik minder optimistisch omdat leiders als Donald Trump, Vladimir Poetin en  Xi Jinping in geo-engineering, bijvoorbeeld met maatregelen in de ruimte, een goedkope uitweg kunnen zien voor hun blijvend hoge fossiele brandstof gebruik; de EU heeft op dit terrein helaas steeds meer het nakijken.
  9. Uiteenvallen van kritisch informatie netwerk: zoals internet en satelliet verbindingen; falen van informatienetwerken zal maken dat steeds meer ontwrichting van de samenleving het gevolg is; dat geldt in toenemende mate ook voor de energietransitie waar energiebesparing en innovatieve energie opwekking en -gebruik worden bereikt door technische, sociale en informatiesystemen met elkaar te verknopen, zoals het opslaan van zonne-energie in de batterijen van elektrische auto’s.

Tabel 2. Overzicht van mogelijke maatregelen door lokale overheid en de mate van beïnvloedbaarheid van doelbereiking (voorbeelden met kleine beïnvloedbaarheid zijn weg gelaten)

3. Onderdelen waar de gemeente ertoe doet
Wereldwijde risico’s en onzekerheden werken door op het niveau van bijvoorbeeld de provincies en gemeenten. Soms kan de nationale overheid door regelgeving en handhaving daarbij een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld door nationale doelen te formuleren, regelgeving te maken, belasting- en subsidiemaatregelen te nemen en samenwerkingsovereenkomsten te sluiten.

Daarnaast zijn grote technologische ontwikkelingen op Europees of wereldwijd niveau bepalend voor het vormgeven van de energie transitie, bijvoorbeeld waar het gaat om de auto-industrie en technologieën voor alternatieve energiebronnen zoals zonnepanelen. Zij bepalen wat er technisch aan handelingsperspectief voor burgers en bedrijven mogelijk is.

De ruimte om in aanvulling op deze krachten eigen beleid te voeren blijft daarmee voor lokale overheden beperkt, maar is wel aanwezig. De genoemde mondiale risico’s en onzekerheden bepalen bovendien mede de kans op succes van het beleid van de lokale overheden.  Juist daarin zijn we in deze denktank bijeenkomst geïnteresseerd.

Om een meer gedetailleerd inzicht te krijgen in mogelijke beleidsmaatregelen op lokaal niveau en de onzekerheden daarbij is een indicatieve opsomming gegeven in Annex 3.   De meest sprekende gevallen zijn samengevat in tabel 2.

In algemene zin kan een gemeente in beginsel het verschil maken met het snel klimaatneutraal maken van de eigen organisatie, het inkoopbeleid, het deelnemen aan handel in carboncredits, twinning opzetten binnen de regels van het klimaatverdrag,  het verlenen van subsidies en vergunningen. Lastiger is het soms om het eigen grondgebied  klimaatneutraal te maken, bijvoorbeeld als er veel energie-intensieve industrie op het grondgebied aanwezig is, zoals in Rotterdam en Amsterdam (zie figuur 2).

Een van de bestuurlijke middelen om draagvlak en samenwerking te organiseren kan het vaststellen zijn van een jaar waarin de gemeente haar grondgebied klimaat neutraal wil laten zijn.  De meeste gemeenten hebben dat al gedaan maar een herijking is nu nodig op basis van het nieuwe regeerakkoord.

Figuur 2. De Doelstellingen om klimaatneutraal te zijn*) volgens de Nationale governance monitor duurzame gemeenten (Telos, 2017). Betreft stand van zaken eind 2016.

 *)

Duurzaamheidscore Jaar waarin klimaat neutraal
 <12.5% > 2065
 12.5-25% 2056 – 2065
  25-50% 2041 – 2055
  50-82.5% 2031 – 2040
 >82.5% ≤ 2030

 

Het laten dalen van de CO2-emissie ten opzichte van het referentiejaar 1990 is erg lastig als er de laatste decennia flinke groei heeft plaatsgevonden, zoals figuur 3 laat zien. Het mid-oosten doet het op dit gebied beter dan het mid-westen van ons land.

Figuur 3. De verhouding tussen de CO2 emissie (kg CO2 per inwoner) in rapportagejaar 2017 ten opzichte van 1990 (donkergroen: 30% afgenomen, donkerrood: 30% toegenomen) (Telos, 2017).

Andere maatregelen die door het gemeentebestuur sterk kunnen worden beïnvloed, zijn bijvoorbeeld het bouwen van gasvrije woningen, het stimuleren van zonnepanelen, de aanleg van elektrische laadpalen, milieuzonering voor vervuilende verkeer en windparken. Overigens zijn veel gemeenten niet voor dit laatste, zoals de ruimtelijke spreiding in figuur 4 laat zien. De Borgingscommissie van Nijpels heeft hier ook op gewezen. Een belangrijke onzekerheid ligt niet ver weg maar juist dichtbij: het draagvlak bij de bevolking. Zoals in meer gevallen, tekent zich hier een noordwest/zuidooost tweedeling in ons land af.

Figuur 4. Windenergiescore  (hoeveelheid geproduceerde elektriciteit m.b.v. windturbines per vierkante kilometer) voor 2017 (Telos, Nationale monitor duurzame gemeenten , 2017).

4. Inhoudelijke prioriteiten voor bestuurlijke aandacht bij het omgaan met onzekerheden

Na de opsomming van mondiale risico’s en daarmee samenhangende onzekerheden, en het inzicht in mogelijkheden bij het bevorderen van de energietransitie voor het lokale bestuur, speelt de vraag hoe de onzekerheden op het handelen van de lokale overheden kunnen inwerken en hoe deze daarmee verstandig en wijs kunnen omgaan. We kunnen dit vanuit drie invalshoeken benaderen:

  1. vooraf te onderscheiden inhoudelijke prioritaire onderwerpen,
  2. waar crisis als kans kan werken en
  3. hoe de organisatie in al die complexiteit de eigen veerkracht kan vergroten.

Hier zal alleen op het eerste thema worden ingegaan. Beide andere thema’s worden kort besproken in Annexen 4 en 5.

In de al eerder genoemde Annex 3 zijn ook een aantal factoren in relatie tot de mogelijke maatregelen van het lokale bestuur ten behoeve van  de energietransitie in kaart gebracht, te weten:

  • De gevoeligheid voor de mondiale risico’s uit het Global Risks 2018 Report.
  • De mede daaruit voortvloeiende mate van onzekerheid over het bereiken van het beleidseffect.
  • De feitelijke invloed van de maatregel op de energietransitie op het territorium van de gemeente of provincie.
  • De hieruit resulterende prioritaire onderwerpen  voor bestuurlijke aandacht om met de genoemde onzekerheden om te gaan.

Op basis van dit overzicht is in tabel 3 een selectie gepresenteerd van technische onderwerpen die wegens hun belang en de onzekerheden over de lange termijn ontwikkelingen onder de aandacht van het lokale bestuur zouden moeten worden gebracht.

Tabel 3. Ingeschatte technische prioriteiten voor bestuurlijke aandacht bij het omgaan met onzekerheden.

  1. Jaartal klimaatneutraal gemeentelijk grondgebied: dit is een geliefd instrument om ambitie en richting van handelen op het gemeentelijk grondgebied te genereren; daarbij is duidelijk dat het lokale bestuur maar deels ‘in control’ is en de global risks en de ontwikkelingen op Europees en landelijk niveau de haalbaarheid beïnvloeden. Een analyse van de kwetsbaarheden en respons mogelijkheden is van belang om dergelijke langere termijn ambities hun geloofwaardigheid en daarmee hun werkingskracht te laten behouden.
  2. Kopen en verkopen van carbon credits en Joint Implementation met gemeenten in andere landen: deze op kosten optimalisatie gerichte instrumenten bij de CO2 reductie worden doorgaans door grote bedrijven en landen gebruikt.  Wettelijk voorgeschreven emissiereducties die in gemeenten worden uitgevoerd worden niet gezien als credit waardige emissiereducties. Credit ontstaat alleen voor additionele reducties, bijvoorbeeld bij methaan opvang uit vuilstortplaatsen. Onzekerheden die de internationale verdragen en hun regels treffen zullen ook door werken op dit type activiteiten.
  3. Elektrische auto of waterstofauto: de definitieve keus of de elektrische auto of de waterstof auto de toekomst heeft is nog steeds niet gemaakt; in een wisselwerking tussen overheden die de bijpassende infrastructuur moeten faciliteren en autoproducenten die de auto voor een redelijke prijs op de markt moeten brengen zal de internationale markt een bepaalde kant op gaan bewegen. Vermoedelijk worden die keuzes buiten Europa gemaakt in Azië en de VS. Het is van groot belang om vroege signalen op dit gebied te onderkennen en door te vertalen naar de manier waarop de infrastructuur in de steden en langs de wegen de komende decennia wordt vormgegeven.
  4. Alternatieve energie opwekking: het oude spook van kernenergie, al dan niet met behulp van nieuwe typen reactoren (Thorium in plaats van Uranium) steekt regelmatig de kop op en de kans die deze energietak in Nederland krijgt is sterk afhankelijk van de politieke kleur van en regering  en de ontwikkeling in andere Europese landen; deze optie blijft voortdurend met onzekerheid omringd en heeft grote gevolgen voor ontwikkelingen die juist op decentrale alternatieve energiebronnen mikken; wat verder opvalt is dat de principiële opties om alternatieve energie op te wekken de laatste eeuw nauwelijks zijn veranderd; dat doet de vraag rijzen of er geen tot nu toe buiten beeld gebleven alternatieve energiebronnen zijn aan te boren, bijvoorbeeld bronnen die wel worden aangeduid met ‘vrije energie’; deze zouden gebaseerd zijn op het winnen van de energie die aanwezig is in atmosferische elektriciteit en magnetisme en het zwaartekrachtveld van de aarde; een doorbraak op dit terrein kan al de huidige plannen in een gehele nieuw daglicht stellen.
  5. Energiezuiniger processen in basischemie en grootschalige energieopwekking; sommige productie en fabricageprocessen kunnen met veel geringer energieverbruik worden gerealiseerd wanneer de processen drastisch worden herontworpen, bijvoorbeeld door meer van biochemische processen gebruik te maken; ontdekkingen elders in de wereld kunnen vergaande gevolgen in Nederland hebben omdat onze economie sterk leunt op de bulkchemie, metaalbewerking en olieraffinage.

5. Lokale bestuurskracht zelf als onzekere factor
Tenslotte is er de vraag in hoeverre de lokale bestuurskracht in staat is om de reusachtige transformatie in het energiegebruik van de samenleving, naar de wenselijke duurzame doelen te leiden en over welke middelen daarbij kan worden beschikt. Nijpels spreekt in dit verband in zijn rapport over 2017 van de noodzaak om het tempo van de energietransitie te verhogen en daarbij aan economisch, ecologische en ook sociale aspecten aandacht te besteden.  Misschien kan de gemeente niet zoveel stootkracht aan de energietransitie toevoegen als het rijk en het bedrijfsleven dat kunnen. Maar de gemeente kan wel zorgen voor de brede duurzaamheidsgerichte inbedding van de energietransitie.

Het Global Risks 2018 Report geeft als grote risico’s weer het mislukken van het Verdrag van Parijs en het falen van de nationale staat om urgente problemen het hoofd te bieden. Dit zijn ongetwijfeld de grootste onzekerheden voor de lokale overheden die hoe dan ook slechts een beperkte bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie.

Voor het lokale bestuur komen samenvattend de volgende onzekerheden als belangrijk voor de komende coalitieperiode naar voren (tabel 4):

Tabel 4. Samenvatting grootste onzekerheden voor lokale bestuur bij energietransitie.

De uitdaging is om voor deze onzekerheden tot een wervend handelingsperspectief te komen (tabel 5 zou resultaat van denktank kunnen zijn).

Tabel 5. Mogelijke uitkomsten van denktank op 20 april 2018.

 

Bibliografie

[1] Bastiaan Zoeteman is directeur van Zoeteman Consulting en bijzonder hoogleraar Duurzaamheid bij Telos, Tilburg School of Economics and Management, Tilburg University, www.telos.nl. Voordien was hij onder meer werkzaam als plaatsvervangend directeur-generaal Milieu bij het toenmalige ministerie van VROM en voorzitter van het Bestuur van het Europees Milieu Agentschap te Kopenhagen.

[2] Product van PRIMO Europe en UDITE.

[3] https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/eric-wiebes/documenten/kamerstukken/2018/02/23/kamerbrief-over-inzet-kabinet-voor-klimaatakkoord

[4] https://www.gemeentenvandetoekomst.nl/interbestuurlijk-programma/het-programma/

[5] https://www.weforum.org/reports/the-global-risks-report-2018

 

Annex 1. Plaats Global Risks 2018 in de Impact en Waarschijnlijkheidsmatrix en de bijpassende relevantie voor de energietransitie (volgens Zoeteman).

 

Annex 2. The Global Risks Landscape uit Global Risks 2018 Report.

 

Annex 3. Overzicht van mogelijke maatregelen voor energietransitie, hun beïnvloedbaarheid, mate van onzekerheid, grootte van het te bereiken effect en daaruit af te leiden prioriteit van lokale bestuur.

 

Annex 4. Omstandigheden waarbij crises kunnen leiden tot een betere aanpak

Crises tracht het bestuur te vermijden, want geconfronteerd worden met onbeheersbare toestanden en het niet kunnen teruggrijpen op draaiboeken waarin ervaringen uit het verleden zijn verwerkt, vormen doorgaans een nachtmerrie voor het bestuur. Het liefst wordt zo lang mogelijk gedaan alsof er niets aan de hand is om slapende honden niet wakker te maken. Maar juist dat gedrag wordt het bestuur achteraf fataal. Openheid vanaf het begin betaalt zich uit en helpt om de magie van media hypes bij calamiteiten meester te worden.[1] Bovendien kunnen rampen kunnen ook kansen bieden om tot structurele verbeteringen in het bestuur te komen. Nader onderzoek[2] laat zien dat het ontstaan van een transformerende aanpak uit een crisis waarschijnlijker is naarmate een aantal gunstige voorwaarden aanwezig zijn:

  1. De leidende personen hebben een grote media-exposure en daarmee gevoel voor de publieke opinie;
  2. Marktmechanismen zijn voorhanden om de transitie te helpen implementeren;
  3. De oorzaken zijn niet complex;
  4. Betrokken overheden kunnen gemakkelijk op één lijn worden gebracht;
  5. Er is een persoon of instantie die de leiding op zich neemt.

Wanneer dergelijke factoren in redelijke mate aanwezig zijn kan de lokale overheid met gerede kans op succes van de crisisnood een deugd maken.  Zo zal het duidelijk zijn dat een doelstelling om een aantal laadpalen binnen 3 jaar in de gemeente te plaatsen makkelijker tot een succes te brengen is dan het doel om het territorium van de gemeenten in 15 jaar klimaatneutraal (geen netto CO2-emissie) te maken.

[1] B. Zoeteman en W. Kersten, 2009, Media berichtgeving over calamiteiten: de magie meester?, Tijdschrift voor Veiligheid, (8), 1, 35-47

[2]K. Zoeteman, 2012, Sustainable Development Drivers, chapter 15: Trends, Crises and Sustainability, 303-318, Edward Elgar, Cheltenham, UK

 

Annex 5. Lessen voor lokale overheden uit het Global Risks 2018 Report

Een speciaal hoofdstuk in het Global Risks Report van de hand van Roland Kupers van Oxford University (p. 54-55), getiteld Resilience in complex organizations, biedt aanvullende aanknopingspunten. Hij laat zien dat ‘cascading events’ zich plotseling ontvouwen en de hyperconnectieve wereld daarna veranderd achterlaten. De Arabische lente, gevolgd door de oorlog in Syrië, leidt bijvoorbeeld tot een vluchtelingenstroom naar Europa die vervolgens de Brexit triggert. Om als organisatie daarmee om te gaan wordt het belang van veerkracht van de organisatie benadrukt. Peter Voser van Shell was in 2012 de initiator van deze focus op veerkracht. De veerkracht van een organisatie wordt omschreven als het vermogen van een organisatie om zich aan te passen en wel te varen bij confrontatie met risico’s met grote gevolgen en een lage waarschijnlijkheid. Er worden drie categorieën van zogenaamde ‘veerkracht lenzen’ voorgesteld:

  1. Structurele veerkracht die de systeem dynamiek binnen de organisatie zelf betreft; het is het vermogen om sneller te herstellen van een verstoring; dit vraagt om een niet te kleine en niet te grote diversiteit van organisatieonderdelen die flexibel is georganiseerd voor de problemen van het moment.
  2. Integratieve veerkracht die ten grondslag ligt aan complexe interacties met de externe omgeving; bouwstenen daarvoor zijn het in staat zijn om tussen schaalniveaus te schakelen, het vermogen om drempels te overwinnen en het in standhouden van sociale cohesie tussen de organisatie en de omgeving.
  3. Transformatieve veerkracht die reageert op het gegeven dat het mitigeren van sommige risico’s transformatie vraagt; polycentrische bestuurskracht, in tegenstelling tot op kostenbesparing gerichte centralisatie, is beter gebleken voor transformatieve veerkracht; vooruitzien met behulp van scenario studies is tevens belangrijk, evenals ruimte om te experimenten en innoveren.

Kupers concludeert dat organisaties dergelijke veerkracht alleen kunnen vergroten als ze bereid zijn capaciteit vrij te maken om de buitenranden van het systeem te verkennen. Deze PRIMO-denktank is in zekere zin hier een goed voorbeeld van.

Oorspronkelijke PRIMO-publicatie 26 maart 2018.