Investeringen energietransitie en financierbaarheid

PBL | K.M. Schure, F.H. de Haan, P.A. Boot, C. Boendermaker, J.J. Geelhoed.

Uitdagingen met betrekking tot investeringen 2020–2040

Met de energietransitie naar een vergaande CO2-arme samenleving gaan investeringen in het energiesysteem gepaard. In deze notitie wordt een inschatting gemaakt van de extra inves-teringen benodigd voor 80–95% CO2-reductie in 2050 ten opzichte van 1990 emissies, in vergelijking met bestaand beleid.

Aan de hand van vraag en aanbod, en kosten van technologieën, olie, gas, en de importprijs van elektriciteit, is berekend welke investeringen (uitbreiding of vervanging) nodig – en op dat moment het aantrekkelijkst – zijn. In totaliteit liggen de investeringen in een 80%-emissie-reductiescenario in de periode 2020–2040 rond de 200 miljard euro hoger dan in een scenario met bestaand beleid (basispad), waarvan de investeringsomvang over die periode rond de 300 miljard euro ligt. Tot 2031–2035 lopen de investeringen in het reductiescenario geleidelijk op. In een simulatie van een 95%-scenario komen de investeringen uit op 250–300 miljard euro extra ten opzichte van het basispad in de periode 2020–2040. Ook investeringen in de verduurzaming en gebruik van fossiele energie zijn in het model opgenomen voor zover deze passen binnen de energie-en klimaattransitie en de CO2-reductie.

De financierbaarheidsuitdaging betreft vooral de non-mainstream investeringen. Bij mainstream investeringen spelen markt- en systeemfalens in de financiering eigenlijk geen rol van betekenis. Er is sprake van adequate en robuuste regelgeving, goede solvabiliteit en liquiditeit en goed ondernemerschap; investeringen kunnen op reguliere wijze gefinancierd worden. Voor de non-mainstream investeringen bestaan daarentegen specifieke uitdagingen met impact op de financierbaarheid. De omvang daarvan in de 80%- en 95%-reductiescenario’s ligt, inclusief non-mainstream investeringen in het basispad, rond de 300 miljard respectievelijk 350 miljard euro over de periode 2020–2040. Het aandeel op het totaal is daarmee aanzienlijk en ligt rond de 55%. Het rapport duidt de externe en interne knelpunten.

“Externe knelpunten

  • Onzekerheid over lange termijn beleid van overheden speelt in de huidige transitie op alle schaalniveaus (EU, nationaal, lokaal). Uitvoering van de Parijsafspraken, uit-werking van de transitiepaden 2030, regionale plannen van gemeenten en provincies is voor investeringen en hun financierbaarheid van belang.
  • Uitdagingen in de vorm van regelgeving en adequate handhaving kan bijvoorbeeld te maken hebben met veranderende eigenaar/gebruiker constructies, zoals bij het al-dan-niet socialiseren van warmtenetten, het isoleren van huurwoningen, waarbij vaak lange terugverdientijden gelden die door onzekerheid of gebrek aan adequate regelgeving nog langer worden gemaakt, of normstellingen.
  • Gebrek aan standaarden en definities kan het beoordelen van de duurzaamheid van een project bemoeilijken, en daarmee bij de inschatting van risico’s en mogelijk rendement.
  • Gebrek aan bekendheid en/of gebrek aan draagvlak van projecten kan gelden op maatschappelijk vlak, alsook voor de instanties die de (financierings)beoordeling doen. Dit kan gelden voor nieuwe technologieën (CCS1), te maken hebben met de locatie (windmolen), of risico in de toekomst door stigma beladen te worden (fossiele centrales die voor leveringszekerheid nog van belang kunnen zijn).

Interne knelpunten

  • Hoge kosten resulterend in een lange terugverdientijd geldt bijvoorbeeld bij pro-jecten in de gebouwde omgeving, waar nul-op-de-meter woningen binnen de huidige financiële kaders voorlopig niet uit kunnen. Deze projecten hebben baat bij sterke kostendaling, door innovatie, of relatieve kostendaling, door beprijzen van CO2 of an-dere instrumenten die impact hebben op de (relatieve) marktpositie, zoals heffingen, belastingen, of subsidies.
  • Onzekerheid omtrent technologie resulteert in een verhoogd technisch risico van een project. Hiervan kan op verschillende manieren sprake zijn: Bij onvolwassen technologie, als deze nog niet (op grote schaal) bewezen is, maar ook bij technologie die een hoge mate van inpassing vereist, met mogelijke onzekerheden voor de kwaliteit van een product of leveringszekerheid, zoals een alternatieve warmte installatie bij industrie of nieuwe procesinstallatie.
  • Bij projecten met kleine schaal kan gedacht worden aan relatief kleine zon PV- of andere hernieuwbaarheidsprojecten, of verduurzamingsplannen van huiseigenaren. Het kost dan relatief veel tijd om een gedegen inschatting of due diligence te maken van een project, waardoor de kosten niet opwegen tegen het risico of mogelijke rendement.
  • Het ontbreken van professionaliteit kan ook een knelpunt zijn. Goed ondernemer-schap is veelal de basis voor soepele financiering; de ondernemer dient zowel techni-sche, economische als sociale (draagvlak) overwegingen in te bouwen in zijn aanpak. Het professionaliseren van ondernemerschap wordt nagestreefd door brancheorgani-saties actief in wijken en op locatie, zoals bijvoorbeeld met de faciliteit lokale ener-giecoöperaties.”

Download rapport