Het Interface Wetenschap – Overheid

Informatiepiramide van data naar beleidskennis

Door Jack Kruf.

Het interface tussen wetenschap en overheid is een boeiende. Het maakt onderdeel van de triple helix en is cruciaal voor ontwikkeling en vooruitgang. Het ligt voor de hand dat politici en bestuurders gebruiken maken van de wetenschappelijke kennis die voor handen is, zulks om het eigen proces van beleidsvorming kracht bij te zetten. Wetenschappers evenwel zien hun waardevolle bevindingen niet of nauwelijks toegepast in de dagelijkse praktijk van het openbaar bestuur.

Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft een verkennende studie gedaan naar de strategische kennisbehoefte van decentrale overheden, in dit geval in samenhang met de centralisatie van het omgevingsbeleid. De constateringen in dit rapport kunnen beschouwd worden als significant voor de afstemming tussen landelijke instituten en decentrale overheden, zo lijkt het.

De conclusies over dit interface zijn in het lezenswaardig rapport Kennismaken met decentrale overheden zorgvuldig maar direct en onomwonden geformuleerd. Het creëert een bewustzijn dat vraagt om een meer gerichte toenadering van en afstemming tussen wetenschap en bestuur. Een citaat uit het rapport.

Publicaties nationale kennisinstituten niet altijd bruikbaar in decentrale beleidspraktijk

“Vrijwel alle geïnterviewden bij provincies, gemeenten en waterschappen stellen dat zij publicaties van nationale kennisinstituten volgen, maar dat deze telkens diepgang op regionaal niveau missen. Meestal schort het aan regionale en provinciale uitsplitsingen in bijvoorbeeld tabellen of kaarten.

Ook geven de geïnterviewden aan dat de ‘lens’ waardoor nationale kennisinstituten kijken niet scherp genoeg is afgesteld om de specifieke mix van problematiek in hún regio te analyseren. Daarnaast is wetenschappelijke kennis sec voor decentrale overheden lastig te gebruiken, omdat deze vaak te specialistisch van aard is en niet direct toepasbaar is in beleidsstukken doordat de resultaten niet vertaald zijn naar relevante beleidsinformatie.

De mismatch ontstaat doordat het onderzoek dat rijkskennisinstituten voor de nationale beleidscyclus uitvoeren een overwegend verkennend en signalerend karakter heeft, waarbij deze instituten de nadruk leggen op fundamenteel wetenschappelijke onderbouwing op landelijk schaalniveau, terwijl decentrale beleidsmakers vooral behoefte hebben aan regionaal toepasbaar beleidsvormend onderzoek dat aansluit de beleidspraktijk. (PBL, pagina 38)”

PRIMO herkent in haar netwerk de toenemende behoefte van organisaties om te weten wat er speelt, maar tegelijkertijd constateert zij ook dat in jaarlijkse kadernota’s en begrotingen van provincies, gemeenten en waterschappen de strategische verkenningen vaak een beperkte plaats in het debat mogen innemen. Lokale en regionale vraagstukken zijn vaak dominant. Zeer begrijpelijk. Tegelijkertijd is het uitdagend ook te benutten wat er al bekend is, ook bij collega-overheden of geldend als patroon voor alle gemeenten, provincies of waterschappen. The bigger picture is immers nooit weg om het lokale of regionale debat te kunnen voeren.

Het blijft evenwel een uitdaging om de gestage stroom aan gedegen publicaties en rapporten te kanaliseren en te brengen naar de punt waarop concreet in de stad of zelf in de straat geacteerd moet worden. Je zou kunnen zeggen dat we eigenlijk alles al weten, maar dat de kennis steeds opnieuw haar weg moet vinden naar het kruispunt waarop politiek, bestuur, management, bedrijf en burger elkaar ontmoeten. Deze kennisdeling is fascinerend en eigenlijk cruciaal voor goed openbaar bestuur. Het rapport, weliswaar van een paar jaar terug, biedt mooie handvatten in de uitgewerkte voorbeelden.

Bibliografie
PBL (2013), Kennismaken met decentrale overhedenEen verkennende studie naar de strategische kennisbehoefte van provincies, gemeenten en waterschappen in samenhang met de decentralisatie van het omgevingsbeleid. Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving.