Nationale Energieverkenning 2017

De Nationale Energieverkenning 2017 (NEV) is opgesteld en vandaag uitgebracht door het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) samen met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en met bijdragen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). De NEV brengt jaarlijks de stand van zaken rondom de energiehuishouding in Nederland in kaart, en geeft inzicht in de te verwachten ontwikkelingen tot 2035. Het is de vierde keer dat de NEV verschijnt.

In de ogen van PRIMO vraagt de energietransitie in de komende jaren veel van de publieke sturing. Internationaal, maar ook regionaal en lokaal. Meerdere beleidsvelden zullen opnieuw afgestemd moeten worden, andere partijen worden samengebracht in nieuwe vormen en allianties van samenwerking, met andere contracten, andere borgpinnen. Met de verandering van ons energiesysteem ontstaan er ook nieuwe publieke risico’s. Het is zaak deze te durven herkennen en te erkennen. Het is wijs ook na te denken hoe wij deze willen en kunnen managen.

De rollen van de spelers op het veld zullen eveneens sterk veranderen en vragen dan ook om nieuwe scenario’s. Dat is uitdagend. Zowel voor politiek, bestuur, management van verschillende overheden, maar vooral ook van burgers en bedrijven. Gezamenlijk staat de samenleving aan de lat voor de energietransitie ten behoeve van een duurzame samenleving. Versnippering en segmentatie bij deze omvangrijke transitie kan niet aan de orde zijn. Het vraagt om sterk regisserend en coördinerend publiek leiderschap met stimulerende kaders, organisatiekracht en investerend vermogen als aandrijfassen.

De klimaatverandering lijkt te versnellen, de stijging van de zeespiegel ook. Het is zaak adequaat en voortvarend te werken. Niet alleen vanuit angst maar vooral vanuit innovatie en samenbrengen van nieuwe technologieën. Veel is beschikbaar, veel is ook nog versnipperd en bij diverse universiteiten en onderzoeksinstellingen in laboratoriumfases. Nieuwe allianties tussen wetenschap, onderwijs, bedrijfsleven en overheid bieden nieuwe kansen. De onderzoekers komen met krachtige suggesties voor deze ontwikkeling. Wij verwijzen graag naar het overzicht van het onderzoek en een drietal relevante observaties. Uit het voorwoord citeren wij:

“De Nationale Energieverkenning 2017 (NEV 2017) maakt nog meer dan vorig jaar duidelijk dat ontwikkelingen in de Nederlandse energiesector onlosmakelijk verbonden zijn met die in de ons omringende landen. Daarom is het van belang om de ontwikkelingen in Nederland op het gebied van bijvoorbeeld broeikasgasemissies in een Noordwest-Europese context te plaatsen. Ook groeit het belang van regionale samenwerkingsverbanden van gemeenten en provincies omdat zij te maken krijgen met de gevolgen van de energietransitie op het ruimtegebruik.

Alhoewel 2017 als een beleidsmatig tussenjaar kan worden gezien gelet op de verkiezingen en de formatie van een nieuw kabinet, is er in 2017 nieuw beleid geformuleerd voor energiebesparing en hernieuwbare energie. Net als vorig jaar zien we daarmee een versnelling in de energiebesparing door huishoudens en bedrijven, en het aandeel hernieuwbare energie zet een stijgende lijn in. Dit legt de basis voor verdergaande transities en zorgt er ook voor dat we op een later moment netto gasimporteur kunnen worden. De uitstoot van broeikasgassen daalt vooral tot 2030.

Deze NEV laat echter ook zien dat het extra beleid niet alle doelen op de korte termijn binnen bereik brengt. Daarmee toont ook deze NEV de taaiheid van het energiesysteem. Zonder nieuwe, verdere inspanningen valt het besparingstempo na 2020 weer terug en alleen b verdere ondersteuning door de overheid blijft het aandeel hernieuwbare energie na 2020 st gen. De geraamde daling van broeikasgasemissies is en blijft sterk afhankelijk van de positie van Nederlandse electriciteitscentrales op de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt. De komende periode zullen heldere beleidskeuzes gemaakt moeten worden over de toekomst van de Nederlandse energiehuishouding. Deze NEV kan daar de cijfermatige basis voor bieden.”

Er zijn drie algemene observaties (uit de samenvatting):

“De eerste observatie is dat ontwikkelingen in de ons omringende landen een groot effect hebben op die in Nederland. Daarom is het van belang om de ontwikkelingen in Nederland, bijvoorbeeld op het gebied van broeikasgasemissies, in de Noordwest-Europese context te duiden. Voor internationaal opererende bedrijven is die verbondenheid een vanzelfsprekende constatering, maar de geschetste ontwikkelingen in de elektriciteitsmarkt in deze NEV geven daarvan een duidelijke illustratie. De afgelopen jaren was Nederland per saldo importeur van elektriciteit. De broeikasgas-emissies uit de productie van de geïmporteerde elektriciteit vonden in het buitenland plaats. De NEV voorziet dat het importsaldo van elektriciteit afneemt en na 2023 omslaat in netto export. Maar deze raming veronderstelt bepaalde ontwikkelingen in het buitenland, die ook anders kunnen uitpakken. In België is de toekomst van de energiehuishouding ongewis, in Duitsland zullen na de verkiezingen nieuwe besluiten worden genomen. Doorrekening van twee alternatieve scenario’s voor de ontwikkelingen in omringende landen laat zien dat de export van elektriciteit vanuit Nederland onder deze andere omstandigheden in 2030 groter zal zijn dan verwacht in het referentiescenario met voorgenomen beleid in deze NEV. Omdat deze export deels wordt ingevuld door elektriciteitsproductie uit fossiele brandstoffen, nemen dan de Nederlandse broeikasgasemissies minder af. Het illustreert dat een samenhangend beeld, waarbij rekening wordt gehouden met ontwikkelingen in landen om ons heen, zinvoller is dan een nationale benadering. Voor Nederland geldt dat eens te meer gezien de ontwikkeling van de aardgasmarkt. Rond 2025 voorziet de NEV dat we op deze markt netto importeur worden. Zonder energiebesparingen zou dat al eerder het geval zijn. De vanzelfsprekendheid van de beschikbaarheid van eigen aardgas is dan voorbij.

De tweede observatie is het toenemend belang van regionale samenwerkingsverbanden van gemeentes en provincies. Zo krijgen provincies en gemeenten te maken met de gevolgen van de energietransitie op het ruimtegebruik, dat onder hun verantwoordelijkheid valt. Zonnepanelen en windmolens kosten meer ruimte dan een conventionele centrale, en hun aantallen nemen ink toe volgens deze NEV. In 2023 bestaat bijvoorbeeld al de
helft van het opgestelde elektriciteitsvermogen in Nederland uit zonnepanelen en windturbines, uitgaande van voorgenomen beleid. De panelen en turbines kunnen overal in het land staan, zodat het ruimtegebruik van energie niet alleen de verantwoordelijkheid is van die decentrale overheden die dat veelal al decennia gewend zijn, maar van alle overheden. Dat vergt afstemming, ook met het Rijk. Ook bij de transitie van het energieverbruik voor warmte in onder meer de gebouwde omgeving liggen er taken en verantwoordelijkheden bij decentrale overheden. Die zijn echter wel afhankelijk van duidelijkheid over afbakening van verantwoordelijkheden, passende wet- en regelgeving en financiering om hun functie goed in te kunnen vullen. Ook dat vergt afstemming met het Rijk.

De derde observatie is het grote belang van het afnemende verbruik van energie. Dit sneeuwt regelmatig onder door de maatschappel ke discussies over het gewenste energie-aanbod, zoals windmolens, zonnepanelen, een kerncentrale of slimme vormen van biomassa. De NEV laat zien dat door beleid en door bedr ven en huishoudens die zich meer inspannen het tempo van energiebesparing toeneemt. Met het voorgenomen beleid is het finaal energieverbruik in 2020 ruim 4 procent lager dan in 2016, in 2030 is dat bijna 8 procent lager. Door een lager energieverbruik bereiken we tevens een hoger aandeel hernieuwbare energie en worden we later netto gasimporteur.”

Download Nationale Energieverkenning 2017.