Risico’s en redelijkheid

Naar een nieuw beoordelingskader voor risico’s in Nederland

Bron: Bron: Raad voor het Openbaar Bestuur
Auteurs: Ira Helsloot, Roel Pieterman en Jaap Hanekamp, pp. 69 tm 83

Inleiding (citaat):
“Ooit was het leven eenvoudig, althans in de zin dat ongevallen een daad van God waren die slachtoffers waarschijnlijk vooral aan zichzelf te danken hadden. De overheid had hier zowel vooraf als achteraf geen verantwoordelijkheid voor te dragen. In de liberale maatschappij van de 19e eeuw was het later juist het geloof in de eigen verantwoordelijkheid van de rationele burger die maakte dat de verantwoordelijkheid van de overheid beperkt bleef. De komst van de verzorgingstaat in de 20e eeuw bracht hier een essentiële verandering in. Voortaan had de overheid een (mede) verantwoordelijkheid bij het voorkomen van ongevallen en konden slachtoffers op solidariteit van de maatschappij rekenen.

Aan het einde van de 20e eeuw worden er twee, op het eerste gezicht contraire, ontwikkelingen in het risicobeleid in Nederland zichtbaar: Enerzijds is er, ook in Europees verband, een ontwikkeling zichtbaar waarbij de Nederlandse overheid steeds meer maatregelen neemt om zelfs garant te kunnen staan voor het voorkomen van nog onbekende risico’s. Dit wordt wel de voorzorgsmaatschappij genoemd. De eerste aanzetten tot deze ontwikkeling zijn, terugkijkend, zichtbaar in het milieubeleid uit de jaren zeventig. Expliciet wordt het voorzorgsbeginsel echter voor het eerst benoemd als basis voor beleid in het Europese Verdrag van 1992. Het voorzorgsbeleid kan worden gezien als een ‘logische’ voortzetting van de eerder ingezette verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de het voorkomen van ongevallen naar de overheid. Recente adviezen die in deze lijn passen zijn rapport van de WRR uit 2008 over ‘Onzekere veiligheid’ en dat van de Gezondheidsraad uit 2008 over ‘Voorzorg met rede’.

Anderzijds benoemen de Nederlandse overheid en andere adviesorganen van haar, zoals RMNO en RIVM, juist de noodzaak om te komen tot een herbezinning op de verschuivende risicoverantwoordelijksheidsverhouding tussen burger en overheid. De verwachtingen bij burgers voor het garanderen van veiligheid door de overheid en voor de vergoeding van schade achteraf lijken immers zo langzamerhand onrealistisch te worden. Het Kabinet Balkende I neemt in 2002 dan ook als ‘ hoofdoriëntatie’ op dat ‘de verantwoordelijkheden in de samenleving opnieuw moet worden afgebakend. Het kabinet zet niet de overheid en de regels centraal, maar de eigen verantwoordelijkheid van mensen en maatschappelijke organisaties.’

In Nederland leiden beide ontwikkelingen tot verschillend beleid op verschillende beleidsdomeinen hetgeen tot een niet eenduidige verantwoordelijkheidsverdeling leidt tussen burgers, bedrijven en overheden. Zo wordt in het ‘levenstijl’ domein erg sterk ingezet op de eigen verantwoordelijkheid van burgers terwijl in het milieubeleid de verantwoordelijkheid van de overheid centraal staat. Dit verschillend beleid bevordert de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid ervan niet.

Op voorhand zijn er al verschillende perspectieven mogelijk en noodzakelijk om de vraag te beantwoorden naar de grenzen van de overheidsverantwoordelijkheid voor het voorkomen van incidenten en de aansprakelijkheid na incidenten. In willekeurige volgorde onderscheiden wij de volgende vijf perspectieven op een ‘regeling’ voor de overheidsverantwoordelijkheid rondom incidenten:
• het bestuurlijk perspectief vraagt om uitvoerbaarheid (waaronder handhaafbaarheid valt),
• het ethisch perspectief vraagt om bijzondere aandacht voor partijen met een zwakkere positie (waardoor bijvoorbeeld hun vrijheid van besluitvorming wordt beperkt),
• het economisch perspectief vraagt om een optimale inzet van (de principieel beperkte) middelen,
• het democratisch perspectief vraagt om draagvlak dat wil zeggen dat de regeling aan burgers ‘te verkopen’ moet zijn,
• het juridisch perspectief vraagt om eenduidigheid en gelijke behandeling van gelijke gevallen.

Deze bijdrage adresseert expliciet het bestuurlijke, het economische, het ethische en het juridische perspectief. Het democratisch perspectief is voor de auteurs van deze bijdrage volgend in die zin dat een regeling die vanuit de andere vier perspectieven bezien ‘goed’ is ook voor de Nederlandse burger en haar gekozen vertegenwoordigers acceptabel zal zijn, mocht dat niet zo zijn dan is het de fundamentele vrijheid van de democratie om tot een andere beslissing te komen. De discussie die achter deze ‘hoop’ verborgen ligt is al in 1787 fraai beschreven door James Madison in het zogenaamde Federalist paper nr. 10 waarin ook hij de ‘hoop’ uitspreekt dat de representatieve democratie als beste geschikt is om met wijsheid de beste belangen van het land te dienen:

‘The effect of the [democratic republic] is […] to refine and enlarge the public views, by passing them through the medium of a chosen body of citizens, whose wisdom may best discern the true interest of their country, and whose partiotism and love of justice will be least likely to sacrifice it to temporary or partial considerations. Under such a regulation, it may well happen that the public voice, pronounced by the representatives of the people, will be more consonant to the public good than if pronounced by the people themselves, convened by for the purpose.’

Download Boekje Essaybundel Burgers, bestuur en veiligheid