Voortgang en versnelling

Effectmeting van netwerk in de energietransitie

Martin Schulz, Mark van Twist, Jorgen Schram en Martijn van der Steen | NSOB

Citaat van de bron: “Om de energietransitie te versnellen, zet de overheid tal van instrumenten in. Een ambassadeur en versnellingstafels zijn daarbij voorbeelden van zogenaamde netwerkinterventies. Als vanzelf komen met dergelijke netwerkinterventies vragen mee als ‘hoeveel Petajoule duurzame energie levert zo een ambassadeur eigenlijk op’ en ‘hoeveel Megawatt halen we per jaar uit een versnellingstafel’. Dat zijn vragen die uitdrukking zijn van de voorstelbare behoefte om zicht te krijgen op de effecten van netwerkinterventies.

Over die behoefte gaat dit essay. De auteurs ontwikkelen daarin een zienswijze om de effecten van netwerkinterventies in kaart te brengen. Dat doen ze door een bestuurskundige interpretatie te geven van ideeën over versnelling uit de meet- en rekenkunde. Ze reiken een manier aan om de voortgang van de energietransitie vast te stellen en de versnelling daarvan vast te leggen.”

Citaat uit paragraaf 1.2 Akkoord en transitie

“Het Energieakkoord en de daarin opgenomen versnellingstafels zijn een vorm om te komen tot versnelling van de energietransitie. In dat akkoordzijn concrete doelstellingen met meetbare normen opgenomen. Het akkoordlaat zich uitdrukken en meten in megawatt en petajoule. Het akkoord maakt duidelijk wanneer, welk meetbaar resultaat gerealiseerd dient te zijn. Nu spreken we in Nederland niet alleen over het Energieakkoord, maar ook over ‘de of een energietransitie’.

De transitie wordt daarbij doorgaans met het akkoord vereenzelvigd. Of beter gezegd, het akkoord betekent uiteindelijk (een substantieel deel van) een transitie. Met die energietransitie bedoelen we dan de (gestimuleerde) overgang van een vervuilende, naar een schone energievoorziening.

Hoewel het Energieakkoord de energietransitie dient te bewerkstelligen, zijn ze naar ons idee niet helemaal hetzelfde. In algemene zin is een transitie – zoals een energietransitie – in de basis namelijk niet in de tijd beperkt. Die kan zolang duren als die nodig heeft om zich te voltrekken. Puur gezien als transitie maakt het ook niet uitwanneer die transitie klaar is, op welk punt die transitie zich dit of volgend jaar bevindt, of die nu sneller verloopt en straks langzamer of andersom, of juist met een gestaag en gelijkmatig tempo. Als het een jaar langer duurt, is dat misschien ook niet erg of onder omstandigheden beter en als we sneller klaar zijn, is het wellicht mooi meegenomen. Een transitie is letterlijk een overgang en die kost zoveel tijd als nodig is. Een transitie kan worden versneld of vertraagd, maar ze heeft van zichzelf geen ijk- of peilmomenten waarop prestaties geleverd zouden moeten zijn. Tijd is er in ongelimiteerde hoeveelheden en versnellen of vertragen is een vrijblijvende keuze.

Bij het Energieakkoord is dit anders. Tijd is juist wat er in het Energieakkoord niet is. Of beter gezegd: deze is er wel, maar het is begrensd. Er is een gelimiteerde en in de tijd verdeelde hoeveelheid van. In de jaren 2020 en 2023 zijn er belangrijke peilmomenten om te zien hoe het gaat met de uitvoering van de afspraken. De peilmomenten en de idee van ‘nog reste- rende tijd’ nemen een centrale positie in bij de uitvoering van het akkoord. Als we het akkoord en de transitie met elkaar verbinden dan ontstaat een geconstrueerde werkelijkheid waarin (een deel van) de energietransitie zich in de gedefinieerde hoeveelheid tijd van het energieakkoord dient te voltrekken.”

Download rapport NSOB-18-13-DT_VoortgangEnVersnelling-web-20180913